Met hun roze tot paars gekleurde vlakten vormen heidevelden een kenmerkend landschapselement in noordwest Europa. In de 19e eeuw bedekten uitgestrekte heidevelden de hogere en schrale zandgronden in Nederland. Het waren woeste gronden met een belangrijke economische betekenis: grote schapenkuddes graasden er en leverden - behalve wol en vlees – mest voor de plaatselijke landbouw. Met de introductie van kunstmest verdwenen de heidevelden geleidelijk. It Fryske Gea heeft enkele van de nog in Fryslân overgebleven heideterreinen in beheer, met als doel deze voor de toekomst te bewaren. Dit zijn de Liphústerheide, de Kapellepôle, de Delleboersterheide, de Bakkefeansterdunen en de Heide fan Allardseach in het Mandefjild, de Schaopedobbe en de Ketlikerheide en de heide bij het Ketliker Skar.
Het woord heide betekent van oorsprong een gemeenschappelijke weide op schrale gronden. In de loop der tijd heeft ‘heide’ geleidelijk de betekenis gekregen van het landschapstype dat voor deze schrale graslanden kenmerkend is: een natuurlijke vegetatie met dwergstruiksoorten van de heide- en de kraaiheidefamilie. Vooral struikheide, dopheide en kraaiheide vormen de basis voor heidevelden. Heide is vooral te vinden op voedselarme en zure zand- en leemgronden en in een vrij koel en vochtig klimaat. Er is, afhankelijk van het bodemtype, grofweg een verdeling te maken in natte en droge heide. Natte heide bestaat meestal uit dopheide; droge heide veelal uit struikheide. Ook de overige plantensoorten die op deze heiden groeien zijn gebonden aan deze bodemomstandigheden, zodat typerende plantengemeenschappen ontstaan.



Ontstaan en ontwikkeling van heide
De meeste heide in ons land is een resultaat van menselijk handelen: heide is een halfnatuurlijk landschap. Het bos dat grote delen van ons land bedekte werd gekapt en afgebrand, en het herstel werd verhinderd door beweiding met vee. In de open ruimtes die zo ontstonden, kreeg de heide kans zich te ontwikkelen. Geleidelijk ontstond een landbouwsysteem waarin de akkers vruchtbaar gehouden werden met schapenmest, die gemengd werd met heideplaggen. Alleen al voor de plaggen was een heideoppervlak nodig dat gelijk was aan het akkeroppervlak. Daarnaast was een tot tienmaal zo groot oppervlak nodig om de schapen te kunnen voeden die er geweid werden.
De doorlopende verschraling van de bodem door het afplaggen, maakte - met de begrazing - de grond steeds geschikter voor heidevorming. Daardoor heeft de heidevegetatie op de zandgronden in noordoost Nederland halverwege de 19e eeuw een enorme omvang aangenomen. Een al te sterke begrazing van heide had overigens tot gevolg dat de kale grond bloot kwam te staan aan neerslag, zon en wind. Voedingsstoffen spoelden uit, de grond droogde uit en het zand werd opgestoven, waardoor zandverstuivingen ontstonden.
Aan het begin van de 20e eeuw kwam er een ingrijpende verandering in de wijze van landbouw bedrijven. Boeren ontdekten andere mogelijkheden om hun bouwgronden vruchtbaar te maken en te houden, bijvoorbeeld met kunstmest. Het schaap raakte hierdoor zijn rol als belangrijke mestleverancier kwijt en er werd niet meer geplagd en beweid. Ook gingen milieufactoren meespelen, zoals verdroging, verzuring en een toename van voedingsstoffen via de neerslag. Het gevolg was vergrassing: het dichtgroeien en overwoekeren van de heidevelden, voornamelijk met grassoorten als pijpenstrootje en bochtige smele. Veel van deze ruige en ‘onbruikbare’ gronden werden in de loop van de 20e eeuw ontgonnen en voor agrarisch gebruik geschikt gemaakt. Daardoor zijn van de eens zo uitgestrekte heidevelden nog slechts enkele restanten over.
It Fryske Gea heeft een aantal van de overgebleven heideterreinen in beheer. Omdat ze zo sterk door de mens beïnvloed is, is heide een landschapstype dat ook voor de instandhouding sterk afhankelijk is van de mens. Als heide de kans krijgt zich spontaan te ontwikkelen, zal er met de huidige milieu-omstandigheden na verloop van jaren een overgang plaatsvinden naar andere landschapstypen als grasland en bos. Om heide te behouden is menselijk ingrijpen en beheer noodzakelijk. Een beheer dat overeenkomt met de manier waarop men de heide vroeger gebruikte.
Het heidebeheer valt eigenlijk in twee delen uiteen. Allereerst het herstellen van de heidebegroeiing door het afplaggen van voedselrijke en te sterk vergraste delen, zodat zich nieuwe heide kan vormen. In de tweede plaats door het onderhouden van de heide met een selectieve begrazing die het landschap open houdt. In de terreinen van It Fryske Gea wordt de begrazing verzorgd door Schotse hooglanders, Exmoorpony’s en Drentse heideschapen. Bovendien is de waterkwaliteit van groot belang en moet het waterpeil, afhankelijk van het type heide, op een geschikt niveau blijven.


In de heideterreinen van It Fryske Gea, gelegen in de Friese Wouden, zijn de resultaten van het gevoerde beheer al zichtbaar. De waterkwaliteit in de terreinen is verbeterd en enkele tientallen hectares zijn geplagd, waardoor de bijzondere, aan heide gebonden plantensoorten weer een kans krijgen.
Voorbeelden hiervan zijn wolfsklauwsoorten, gentianen en rode en blauwe bosbes. Ook het typische aan heide gebonden vogelleven keert langzaam weer terug met de boomleeuwerik en de tapuit. Als leefgebied is de heide vooral ook van belang voor reptielen en insecten. Zo zijn voor de (vochtige) heide bijvoorbeeld de levendbarende hagedis, de gladde slang en de adder kenmerkend. Daarnaast zijn vlinders als heivlinder, heideblauwtje en nachtpauwoog voor hun voortbestaan gebonden aan de heide, evenals diverse sprinkhaan-, krekel- en keversoorten.


Een reële bedreiging voor alle natuurgebieden, dus ook voor de heide, is de versnippering. Op diverse plaatsen liggen nog kleine perceeltjes heide ingesloten door landbouwgrond. Behalve op het behoud van deze percelen, is het streven erop gericht de resterende terreinen met elkaar te verbinden om zo de stabiliteit en levensvatbaarheid te vergroten.