Op de venige gronden in het zogenoemde Lage Midden van Friesland, tussen Dokkum en Stavoren, ligt een aantal laagveenmoerassen. Deze laaggelegen en natte terreinen kregen de kans om zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, omdat ze voor agrarisch gebruik onrendabel waren. Hierdoor zijn de laagveenmoerassen uitgegroeid tot rijke en zeer gevarieerde natuurgebieden, die voor sommige planten- en diersoorten de laatste levensruimte vormen. Ze zijn dan ook van groot belang voor natuur en wetenschap en tegenwoordig, dankzij de natuur- en waterrijkdom, ook voor de recreatie. It Fryske Gea beheert een aantal van deze laagveenmoerassen, waaronder Nationaal Park De Alde Feanen bij Earnewâld, het grootste aaneengesloten natuurgebied van Fryslân. Daarnaast zijn er nog diverse andere moerasterreinen in beheer bij It Fryske Gea: Bûtenfjild, Petgatten De Feanhoop, Unlân fan Jelsma en Kobbelân, Lendevallei, Easterskar, Ychtenerfeanpolder, Teroelster Sipen en Bancopolder.
Een moeras vormt een overgangsgebied tussen land en water en is eigenlijk voortdurend in ontwikkeling. Moerassen kunnen daarbij op twee manieren ontstaan: open water kan dichtgroeien en verlanden, of land kan door verhoging van de grondwaterstand veranderen in moeras. De vegetatie kenmerkt zich daarbij uiteraard door waterminnende soorten, terwijl ook factoren als klimaat, waterkwaliteit en bodemkenmerken een rol spelen. In de ontwikkeling van open water naar land is een aantal opvolgingsstadia te onderscheiden. Het eerste stadium is de vorming van drijftillen: drijvende eilandjes van samengedreven plantenresten, waarop zich weer andere planten gevestigd hebben. Op de bodem vormt zich tegelijkertijd een steeds dikker wordende laag organisch materiaal, waardoor het water steeds ondieper wordt. Naarmate het wateroppervlak verder dichtgroeit met drijftillen, ontstaan kraggen en trilvenen. Dat zijn drijvende massa’s plantenmateriaal die zó’n dikke laag kunnen vormen dat er op gelopen kan worden. Begint het gebied langzamerhand meer op land dan op water te lijken, dan ontstaan er rietlanden. In de Friese moerassen liggen hier veel van, die deels kunstmatig in stand worden gehouden voor de rietwinning.
Krijgt het rietland de kans zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen en staat het niet in verbinding met het voedselrijke boezemwater, dan raakt het op den duur begroeid met veen- en haarmossoorten. Bij een nog verdergaande ontwikkeling vormt zich hierop veenheide: een natte heide waarin onder andere Dopheide groeit. Op de meer voedselrijke rietlanden ontstaan ruigten en struwelen met hogere planten en struiken, die zich tenslotte ontwikkelen tot moerasbos met bomen als Zwarte els en Grauwe wilg.
Ontstaan en ontwikkeling van laagveenmoerassen
Toen na de laatste ijstijd het klimaat zachter werd, vormde zich in Nederland achter de duinenrij een laaggelegen gebied, waar het water vanaf de hogere zandgronden naartoe stroomde en stagneerde. Zo ontstond een nat gebied, waarin zich uitgestrekte moerassen konden ontwikkelen. Door de natte omstandigheden en de snelle groei van de vegetatie kon het afbraakproces van afgestorven plantenresten op den duur geen gelijke tred meer houden met de groei van nieuw materiaal. Zo vormde zich een pakket van half vergaan organisch materiaal, dat langzaam maar zeker in elkaar werd gedrukt. Door de onvolledige afbraak ontwikkelde dit pakket zich tot veen. In Nederland strekte het laagveenpakket zich achter de duinenrij uit tot soms meer dan honderd kilometer landinwaarts. Ook in hoger gelegen streken ontwikkelde zich veen op plaatsen waar stagnatie van het grondwater optrad vanwege een ondoorlatende laag in de bodem.
Grote delen van het veenpakket zijn in de loop der eeuwen weggeslagen of door zee en rivieren met afzettingen bedekt. Daarnaast is vanaf de Middeleeuwen veel veen door de mens afgegraven om als brandstof te dienen. Dit afgraven gebeurde aanvankelijk alleen met hoogveen: veen dat boven de grondwaterspiegel ligt. Toen de hoeveelheid veen die op deze wijze afgegraven kon worden afnam, werden methoden ontwikkeld om ook ónder de grondwaterspiegel het veen weg te kunnen halen. Hierbij werd het veen tot aan de zandondergrond afgegraven. Zo ontstond op veel plaatsen in het laagveenlandschap een typische structuur, gekenmerkt door een patroon van smalle stroken land die omgeven zijn door water. Het veen werd per langgerekt perceel uitgegraven en te drogen gelegd op de tussenliggende stroken land, die zetwallen of stripen werden genoemd. De uitgegraven delen liepen vol water en werden petgaten genoemd. De smalle zetwallen werden soms zo instabiel, dat wind en water plaatselijk de stroken land wegsloegen en grote aaneengesloten watervlaktes ontstonden. Een aantal waterplassen in Fryslân is zo ontstaan. Waar het zetwallenpatroon wél in stand bleef, kon zich weer opnieuw een moerasvegetatie ontwikkelen. Soms werden deze verveende natte gebieden gebruikt om er een rietcultuur in stand te houden, maar meestal werden ze door diepte-ontwatering geschikt gemaakt voor agrarisch gebruik.
Moerassen vormen een zeer natuurlijk landschapselement, waarin vaak geen geleidelijke overgang of een duidelijke grens tussen land en water aan te geven is. Op sommige plaatsen kan gelopen worden, op andere plaatsen gezwommen en vaak kan geen van beide. Moerassen zijn slecht toegankelijk voor de mens, terwijl ze juist bij dieren erg in trek zijn. Het aantal vogelsoorten dat zich graag in deze terreinen ophoudt is groot, maar ook veel insecten zijn aan deze natte gebieden gebonden. Daarnaast kennen moerassen een geheel eigen flora. Dit alles maakt dat de moerassen een grote natuurwaarde bezitten en van groot wetenschappelijk belang zijn. Tegenwoordig zijn deze terreinen bovendien van waarde voor de waterrecreatie.
Economisch gezien zijn de moerassen waardevolle terreinen vanwege de rietcultuur, hoewel het belang daarvan wel is afgenomen. Bovendien wordt aan deze natte gebieden een gunstige werking toegeschreven ten aanzien van de waterhuishouding in de landbouw, omdat laagveenmoerassen een waterzuiverend vermogen hebben.
De grootste bedreiging voor de goede ontwikkeling van een moerasvegetatie is de verminderde waterkwaliteit en -kwantiteit. De meeste laagveenmoerassen liggen in de laagste delen van Fryslân. Ze zijn veelal omringd door agrarisch gebruikte gebieden en door de lage ligging moet daar de grondwaterstand kunstmatig laag gehouden worden met diepte-ontwatering. In de aangrenzende moerasgebieden treedt daardoor verdroging op, omdat het water als het ware weggezogen wordt naar de landbouwgebieden. Bovendien stopt de ondergrondse stroom van schoon en mineraalhoudend kwelwater vanuit de hoger gelegen gebieden, waardoor bepaalde plantensoorten verdwijnen en het verlandingsproces tot stilstand kan komen.
In de moerasgebieden waar de ontwatering geen grote bedreiging vormt, is vaak de instroom van vervuild grondwater een punt van zorg. Dit grondwater bevat, naast zware metalen, pesticiden en dergelijke, veel voedingsstoffen, waardoor de natuurlijke vegetatie-ontwikkeling verstoord wordt. Als tegenmaatregel zijn of worden daarom op diverse plaatsen de moerasgebieden of delen daarvan door dijken afgesloten van het water uit de omringende gebieden. Zo bereikt alleen nog schoon kwel- en regenwater het moerasgebied.
Ook de versnipperde ligging van veel moerassen vormt een ernstige bedreiging. Versnippering beperkt de genetische uitwisselingsmogelijkheden van soorten, mede doordat veel moerassen zijn omgeven door modern ingericht cultuurland, steden en wegen. Hierdoor moeten planten en dieren te grote afstanden overbruggen en neemt de soortenrijkdom langzamerhand af. Inmiddels zijn er plannen opgesteld om de moerasgebieden in Nederland zoveel mogelijk met elkaar te verbinden. In Fryslân moet zo bijvoorbeeld een ‘moerassenlint’ ontstaan tussen het Lauwersmeer en Lemmer.