It Fryske Gea

Graslanden

Graslanden vormen het meest algemene landschapstype van Fryslân. In het verleden zijn, afhankelijk van de milieu-omstandigheden, verschillende graslandtypen ontstaan waarbij vooral de grondwaterstand en de voedselrijkdom van belang zijn geweest. Dankzij een aan deze omstandigheden aangepast agrarisch beheer ontstonden vochtige, droge, schrale en voedselrijke graslanden. Elk met kenmerkende levensgemeenschappen en soortensamenstelling. Door ontginning en moderne agrarische technieken is in de 20e eeuw veel van de diversiteit in en van graslanden verdwenen. Van wat er nog rest aan oorspronkelijke graslanden in Fryslân wordt een deel beheerd door It Fryske Gea. Het gaat hierbij om de Eanjumer Kolken, Grutte Wielen, Polders Koarnwert en Makkumersúdmar, WarkumerbinnenwaardAeltsje- en Warkumermar, Mûntsebuorsterpolder, De Ryp en Sypset, Dune- en Follgeasterpolder, Sudermarpolder, Huitebuersterbûtenpolder en rond de Alde Feanen.

Graslanden zijn vegetaties waarin grassoorten domineren, soms samen met zeggen. In principe kunnen zich op alle grondsoorten graslanden ontwikkelen, met uitzondering van zeer voedselarme gronden. De ontwikkeling en de soortensamenstelling van de graslanden hangen nauw samen met de grondwaterstand, de fluctuaties daarin, en de voedselrijkdom van de bodem. Daarnaast zijn ook ingrepen als begrazing, beweiding en maaien van belang. Speciale graslanden komen voor op zilte gronden, bijvoorbeeld op de kwelders en in het binnenland waar langs de kust zout water opwelt.
Blauwgrasland Alde Feanen; foto: Anton HuitemaIn het algemeen overheersen de grassoorten op de meer voedselrijke en drogere gronden, terwijl op de schrale en de vochtige bodems de zeggen domineren. Daarbij zijn veel soorten en levensgemeenschappen aan bepaalde graslandtypen gebonden. Op schrale, vochtige bodems kunnen zich bijvoorbeeld blauwgraslanden ontwikkelen, waarvan de kenmerkende kleur wordt veroorzaakt door de overheersende aanwezigheid van Blauwe zegge. Voedselarme gronden kennen doorgaans de grootste soortenvariatie, waarbij in overgangsgebieden, bijvoorbeeld van nat naar droog, de grootste variatie gevonden wordt. Naarmate de voedselrijkdom van de bodem door bemesting toeneemt, neemt de grasvegetatie toe, waardoor andere soorten verdrongen worden en er eentonige groene grassteppen ontstaan.

Ontstaan en ontwikkeling van graslanden
Graslanden komen van nature eigenlijk alleen dáár voor waar boomgroei onmogelijk is. Dus op plaatsen die voor boomgroei te nat of te schraal zijn en op plaatsen met zeer wisselende, zoute milieu-omstandigheden zoals op de kwelders. Ook langs beken en rivieren komen grazige vegetaties van nature voor. Als de natuur zijn gang zou kunnen gaan, zou heel Fryslân met bos en struikgewas bedekt worden en zouden alleen op de natste plekken, zoals in beekdalen, rond de boezemwateren en op plaatsen met natuurlijke begrazing nog graslanden stand kunnen houden. In het verleden was het areaal grasland in Fryslân dan ook kleiner dan nu. Met name in het oosten en zuidoosten van de provincie zijn grote stukken bos en heide door kap, begrazing en maaien omgezet in grasland. In het noorden en westen van de provincie hebben de graslanden zich ontwikkeld uit de omdijkte kwelders, die daardoor permanent droog kwamen te liggen. Door agrarische activiteiten kregen struiken en bomen hier geen kans en bleef het grasland.
De milieu-omstandigheden, het reliëf en het constante, mestarme beheer hebben in het verleden geleid tot een grote verscheidenheid aan graslanden in Fryslân. De mens beheerde deze graslanden van oudsher, afhankelijk van het type grasland, op verschillende wijze. Er waren graslanden die uitsluitend gehooid werden (hooilanden), graslanden die gehooid en daarna beweid werden (hooiweiden), permanent begraasde graslanden (weilanden) en wisselweiden, die jaarlijks beweid of gemaaid werden. De Ryp; foto: Tjerk KunstDe hooilanden en hooiweiden lagen in het algemeen op natte gronden, bijvoorbeeld in beekdalen en boezemlanden. De boezemlanden liggen in de laagste delen van het Friese laagveengebied, meestal rond de meren. Ze liggen buiten de polderkaden, waardoor ze een vrije afwatering hebben op de Friese boezem. In het verleden dienden ze als opslagplaats (waterberging) voor water uit de hoger gelegen omgeving. Dit betekende dat ze ’s winters vaak onder water stonden en pas in de zomer toegankelijk werden voor mens en dier. Afhankelijk van de voedselrijkdom ontwikkelden zich op de boezemlanden dotterbloemhooilanden en soms blauwgraslanden. Waar het veen overgaat in de zandgrond in het oosten van de provincie, liggen nog restanten heischraalgraslanden. Dit zijn soortenrijke graslanden op vochtige, voedselarme en zure gronden, die eveneens als hooilanden gebruikt werden.
Bemesting, anders dan door weidend vee, werd voornamelijk toegepast op de wisselweiden en nauwelijks op de overige graslanden. In de 20e eeuw nam de bemesting echter toe, waarbij bovendien kunstmest en drijfmest in de plaats kwam van stalmest. Daarnaast werden op veel plaatsen de graslanden op natte gronden sterk ontwaterd, zodat de bewerkingsintensiteit door zwaar materieel toe kon nemen. Dit maakte het mogelijk om hooilanden, hooiweiden en weilanden te vervangen door wisselweiden, die bovendien door eggen, rollen en slepen hun reliëf kwijtraakten. Door bedijking en sterkere bemaling is het areaal boezemland en zomerpolders in Fryslân de afgelopen honderd jaar afgenomen van rond de 100.000 naar zo’n 3.000 hectare. Dotterbloemland, Alde Feanen; foto: Anton HuitemaAls gevolg hiervan zijn blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden zeldzaam geworden en is er een eenvormige graslandstructuur met gelijke milieu-omstandigheden en een uniforme, beperkte soortensamenstelling ontstaan. Ook van de heischraalgraslanden is minder dan tien hectare bewaard gebleven.
De belangrijkste bedreigingen voor de soortenrijke graslanden zijn overbemesting en ontwatering. Daarnaast spelen het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen en pesticiden, de verstoring van de bodem door egalisatie en de verstoring van de open ruimte door wegenaanleg en bebouwing een rol. Ook vormen betreding en berijding in natte graslanden, en beregening in van nature droge gebieden een gevaar.

Het doel van het beheer van It Fryske Gea is het behouden en waar mogelijk herstellen van graslanden met een grote rijkdom aan zowel planten- als diersoorten. Bij het beheer van nog bestaande soortenrijke graslanden staat in eerste instantie het terugdringen van de bemesting en de ontwatering voorop. Omdat de graslanden veelal door menselijk handelen zijn ontstaan, worden de beheersmaatregelen toegepast die in het verleden tot deze begroeiing hebben geleid, zoals maaien en extensieve begrazing.

Grutto; foto: Tjerk KunstKievit; foto: Teun Veldman
Graslanden zijn van belang als voedselgebieden voor doortrekkende en overwinterende vogels. Enkele soorten, zoals de Kievit en de Grutto, hebben zich dankzij de agrarische weidecultuur kunnen ontwikkelen tot de typische weidevogels zoals we ze nu kennen. Van deze soorten huisvest Nederland momenteel een groot deel van de Europese populaties. Als broedgebied voor weidevogels hebben de graslanden dan ook een grote, internationale betekenis. Om deze te behouden moet het beheer zo worden uitgevoerd dat de graslanden aantrekkelijk blijven voor de weidevogels. Dat kan door het verhogen van de diversiteit en structuur in deze terreinen.

Naar boven