It Fryske Gea

Bossen

Duizenden jaren geleden was Fryslân grotendeels bedekt met uitgestrekte bossen. Die lagen vooral op wat we nu kennen als de veen- en zandgronden. Hieraan danken bijvoorbeeld de Friese Wouden hun naam. Deze zogenaamde oerbossen zijn uiteindelijk ten onder gegaan aan veranderingen in het klimaat en aan menselijk ingrijpen. Vanaf het midden van de 19e eeuw werden wel nieuwe bossen aangelegd, maar Fryslân is met een areaal bos van ongeveer 9.500 ha nog steeds relatief bosarm. It Fryske Gea hecht daarom veel waarde aan het in stand houden en uitbreiden van haar bosterreinen.

Grikelân en Turkije; foto: Dico de KleinEen bos is opgebouwd uit lagen of etages. De kruinen van de bomen vormen de toplaag. Laten ze genoeg licht door, dan vormt zich daaronder een struiklaag met bijvoorbeeld Hulst, Lijsterbes of Hazelaar. Als de omstandigheden gunstig zijn, ontwikkelt zich op de bodem een kruidlaag met, vooral onder vochtige omstandigheden, varens en mossen. Zelfs ondergronds ontstaat een laag. In de bodem zit immers een netwerk van wortels van bomen, struiken en planten, samen met de draden van diverse soorten schimmels. Sommige schimmels leven parasitair -ten koste van hun gastheer- maar de meeste leven samen met planten, struiken en bomen. Aan bos en bosachtige begroeiingen zijn veel diersoorten gebonden, zoals Vos, Das en Ree, en diverse vogelsoorten (zogenaamde bosvogels) die van insecten, vruchten en zaden leven.
In het algemeen is er een duidelijke en spontane ontwikkeling van jong naar volwassen bos, met een bijbehorende overgang in de soortensamenstelling van planten en dieren. Zo is Hulst bijvoorbeeld een kenmerkende soort voor het oudere bos. De meeste bossen in Fryslân zijn nog relatief jong tot zeer jong. Ze hebben geen natuurlijke oorsprong, maar werden door mensenhanden aangelegd en onderhouden.

Beuk in het Rysterbosk; foto; Dico de KleinTussen planten- en dierenleven in een zich natuurlijk ontwikkelend bos bestaat een sterke onderlinge samenhang. Een oorspronkelijk en op natuurlijke wijze ontstaan bos van de gematigde streken is in die zin heel goed te vergelijken met een tropisch oerwoud. Het is even kwetsbaar, en het verdwijnen van één soort kan het verdwijnen van een groot aantal andere soorten tot gevolg hebben. Grote bedreigingen voor de bossen vormen in onze tijd luchtverontreiniging (’zure regen’) en verdroging. Zure regen heeft tot gevolg dat de boomwortels onvoldoende voedingsstoffen uit de bodem kunnen opnemen. Daarnaast spoelt de regen voedingsstoffen in een zure bodem sneller uit, waardoor ze voor de wortels onbereikbaar worden. Verdroging is vaak het gevolg van een te lage grondwaterstand door diepte-ontwatering. Hierdoor kunnen de wortels niet genoeg water opnemen om de enorme hoeveelheden vocht te compenseren die een boom die vol in blad staat dagelijks verdampt.

Ontstaan en ontwikkeling van bossen
Na de geleidelijke terugtrekking van het landijs aan het eind van de laatste ijstijd, zo’n 15.000 jaar geleden, ontstonden bossen die grote delen van Europa bedekten. Van deze oerbossen zijn in West-Europa nog maar enkele verspreide snippertjes overgebleven. Ook in de lagere delen van Fryslân ging in de loop van de eeuwen het meeste oerbos verloren, doordat de bodem te nat of het land overspoeld werd als gevolg van de stijging van de zeespiegel. Bij veenafgravingen en bij graafwerkzaamheden op de klei zijn er in het verleden nog regelmatig resten van gevonden. Die eerste bossen bestonden aanvankelijk voornamelijk uit Berk en Den, naarmate het klimaat warmer werd ook uit Eik, Iep, Linde en Hazelaar. Op de hogere gronden konden de oerbossen zich langer handhaven, maar naarmate de menselijke bewoning zich uitbreidde en de benutting van de bodem toenam, maakten ze plaats voor graslanden en uitgestrekte heidevelden. In de 17e eeuw waren er daardoor in Fryslân bijna geen bossen meer te vinden.
Ketliker Skar; foto: Dico de KleinVanaf de 18e eeuw kwam de herbebossing op gang. Zo werden er bossen aangelegd voor de productie van kaphout, meest eikenhakhout, dat om de vijftien jaar werd gekapt. Het hout werd gebruikt als timmerhout of brandhout en de bast werd gebruikt voor de winning van looistof voor de leerindustrie. Na verloop van tijd verminderde de economische waarde van deze hakhoutbossen, waardoor het onderhoud afnam en ze zich konden ontwikkelen tot opgaand bos. De Fryske Gea-terreinen Grikelân en Turkije, Meulebos, Ketliker Skar, Taconisbosk en Wilhelmina-oard vormen hier voorbeelden van.
In de 18e eeuw werden door adellijke families buitenhuizen gebouwd, waaromheen parken en bossen werden aangelegd voor recreatieve doeleinden; als wandelbos of voor de jacht. Daarbij werd veelal gebruik gemaakt van uitheemse soorten als Zilverspar en Amerikaanse eik. In deze parkbossen is vaak een stinzenflora aan te treffen, bestaande uit door handelsschepen meegenomen exotische (bol)gewassen, die werden aangeplant ter verhoging van de aantrekkelijkheid van het (wandel)bos. Park Martenastate; foto: Dico de KleinVoorbeelden hiervan zijn Park Olterterp, Park Jongemastate, Park Martenastate en het Van Coehoornbosk. Ald Bakkefean in het Mandefjild en het Rysterbosk zijn eveneens aangelegde cultuurbossen, die later een economische waarde kregen als productiebos. Ook in onze tijd worden, verspreid door de hele provincie, nieuwe bossen aangeplant voor recreatiedoeleinden.
Hier en daar werden ook bossen aangelegd om zandverstuiving tegen te gaan. Dat gebeurde vooral in de jaren dertig in het kader van de werkverschaffing, onder andere bij Appelscha. Hierbij werd meestal gebruik gemaakt van naaldbomen.
Op sommige plaatsen ontstonden spontaan nieuwe bosjes, boswallen en moerasbossen, zoals de Tsjongerwâlen, Skiedingsboskje, het Koudumerboskje bij de Fluezen, en in de Lendevallei, de Alde Feanen en op de Kooiwaard. Waar aangeplante bossen vaak herkenbaar zijn aan een éénsoortige en gelijkjarige aanplant in een regelmatige patroon, waardoor ze vrij arm zijn aan planten- en diersoorten, zijn spontaan ontstane en zich ontwikkelende bossen vaak rijk van structuur en soortensamenstelling.
In de loop der jaren zijn zo in Fryslân verschillende typen bos ontstaan, die elk hun eigen karakter hebben. Er zijn voor deze bossen diverse indelingen denkbaar, bijvoorbeeld naar oorsprong, bodemtype, soortensamenstelling of samenhang met de omgeving. Bij het beheer van een bos zijn deze factoren van groot belang. Daarnaast moet rekening worden gehouden met gebruik en onderhoud, nu en in het verleden.

Rysterbosk; foto: Tjerk KunstIn het algemeen is het beheer van de bossen er op gericht de vitaliteit te verhogen door de natuurlijkheid ervan te vergroten. Dit houdt in dat menselijke beheersactiviteiten in het bos tot een minimum beperkt worden, waardoor natuurlijke selectie kan zorgen voor een zelfregulerend bossysteem. Dode en omgewaaide bomen worden bijvoorbeeld niet weggehaald, wat ten goede komt aan de planten en dieren die er op leven. Ook worden tegenwoordig begrazingsexperimenten uitgevoerd, waarbij bijvoorbeeld Schotse hooglanders door hun selectieve begrazing de variatie in de structuur en de soortenrijkdom vergroten. Daarnaast wordt de natuurlijke variatie verhoogd door de aanplant van andere soorten en door het aanbrengen van geleidelijke overgangen naar andere vegetatietypen door dunnen, kappen en omtrekken. Op enkele plaatsen worden om cultuurhistorische redenen de oude beheersmaatregelen gehandhaafd, zoals bijvoorbeeld het regelmatig kappen van hakhout.

Naar boven