| Door de Lendevallei, aan weerszijden van de weg Wolvega-Steenwijk, liggen verschillende wandelpaden: in de Helomapolder, de Driessenpolder en het Oude Stroomdal. De eerste twee zijn in het broedseizoen gesloten. Fietsen door het gebied kan over het pad langs de Lende tussen de Kontermansbrug bij De Hoeve tot aan de Driewegsluis bij Nijetrijne. Varend over de Lende is de vallei ook mooi te overzien, aanleggen mag alleen aan de steigers. De poldermolen De Gooyer is, als hij in werking is, te bezichtigen. Buiten het broedseizoen geldt dat ook voor het oude veensluisje in de Helomapolder. Vanaf de Blessebrug is de vogelkijkhut, met de naam de Blauwborst, met informatiepaneel in de Lendepolder te bereiken. |
Bekijk overzichtskaart |
Laat de otter maar komen
De Lendevallei maakt deel uit van een uitverkoren keten van moerasgebieden op de grens van Fryslân en Overijssel. Dat klinkt ambitieus en zo wordt er ook gehandeld. In het natuurbeheer wordt steeds vaker geprobeerd grotere eenheden te creëren. In deze streek krijgt dit gestalte met het aan elkaar verbinden van de Weerribben en de Wieden in Noordwest-Overijssel en de Rottige Meenthe en de Lendevallei in Fryslân. Zoals gezegd, het is een uitverkoren geheel: de eerste otters die in ons land opnieuw zijn uitgezet, vinden hier een nieuwe leefomgeving. Te beginnen in Overijssel, maar het staat de dieren natuurlijk vrij een kijkje over de provinciegrens te nemen en het ook eens in de Lendevallei te proberen.

Het is te danken aan de verbeterde waterkwaliteit. Daar is de laatste decennia veel aandacht aan besteed in de Lendevallei. In de laatste eeuw is er in dit gebied veel veranderd aan de waterhuishouding. Ooit was het een ongestoord beekdalsysteem. Toen tussen 1922 en 1927 de Lende werd gekanaliseerd, veranderde er veel. De meanders, de oude kronkelingen, werden volgestort met bagger. In de omgeving werden als ‘woeste gronden’ beschouwde stukken grond ontgonnen en in gebruik genomen door de landbouw. Ook petgaten bij de Lende moesten er aan geloven.
Dat in die jaren niet het hele gebied in cultuur werd gebracht, is te danken aan een omslag in denken bij een deel van de Friese bevolking. Met de aanwezigheid van de grote vuurvlinder, de purperreiger en de visotter stond het vast dat de Lendevallei een belangrijk natuurgebied was. Het was vooral Hein Buisman, destijds bestuurslid van It Fryske Gea, die zich sterk maakte voor behoud van de natuur in dit gebied. In 1938 kon de natuurorganisatie het eerste stukje van de Lendevallei aankopen.
Een ongestoord beekdalsysteem is het in de Lendevallei nooit meer geworden. Omdat het natuurgebied middenin het cultuurland ligt, blijven er wat de waterhuishouding betreft ook altijd knelpunten bestaan, maar toch is er de laatste jaren veel verbeterd. Om de vallei nat te houden is een ingenieus systeem van sloten, stuwen en kleppen uitgedacht, dat moet voorkomen dat het gebied

verdroogt. In het reservaat zijn nog veel oude meanders, van voor de kanalisatie, terug te vinden. Een aantal is zelfs weer open gegraven.
Al die moeite is niet alleen gedaan om de otter te dienen. Het behoud van al de verschillende landschapstypen, van nat tot droog en van open tot gesloten, levert een grote variatie aan planten en dieren op.
Wat direct opvalt in de Lendevallei zijn de elzenbroekbossen. Vroeger was het terrein veel opener, maar door het verlanden van de petgaten en door het droger worden van het gebied, nam de boomgroei sterk toe. Toch zijn er ook open petgaten te vinden. In veenmosrietlanden groeien mooie varens en soms de zonnedauw. In overgebleven stukjes blauwgrasland, in de Helomapolder en de Driessenpolder, komen soorten voor als Spaanse ruiter en sterzegge.
Bijzondere planten lokken bijzondere insecten. De zilveren maan, een parelmoervlinder, is er een voorbeeld van, maar hij laat zich nog maar in heel kleine aantallen zien. Ook libellen als de viervlek, de noordse winterjuffer, de gevlekte glanslibel, de groene glazenmaker, de bruine korenbout, de glassnijder en de vroege glazenmaker vinden hier een leefgebied.

Een grote barrière in de Lendevallei is de A32, de drukke snelweg die dwars door het reservaat loopt. Niet alleen grotere dieren als reeën hebben er last van, ook kleinere zoogdieren als muizen, hermelijnen en wezels hebben er problemen mee.
Van de snelweg af is aan de oostkant de Lendepolder te zien, een grote plas in een rond 1930 ontgonnen petgatengebied dat tot 1990 in agrarisch gebruik was. Toen It Fryske Gea de polder had aangekocht, is de bemaling gestopt. Tot die tijd werd ieder jaar zo’n 3 miljoen kubieke meter schoon water uit de polder gemalen om hem droog te houden. Dat water kan nu in het gebied blijven. Vooral in het winterhalfjaar trekt deze voormalige polder grote aantallen watervogels aan. Ook in andere jaargetijden oefent de Lendevallei grote aantrekkingskracht uit op vogels. De grote variatie in terreintypen trekt verschillende moerasvogels als zwarte stern en blauwborst aan, watervogels als fuut en krakeend, weidevogels als kievit en wulp, maar ook bosvogels als grote bonte specht en havik. Echt zeldzaam zijn de kwartelkoning en grauwe klauwier die incidenteel in dit natuurgebied broeden.

Op cultuurhistorisch gebied is in de Lendevallei de monumentale achtkanter watermolen de moeite waard. De molen, bij de Blessebrug, kreeg na een restauratie in 1991 de naam ‘De Gooyer’. Geert Gooyer was de vroegere molenaar en opzichter van It Fryske Gea in dit gebied. In de Helomavaart ligt nog de pas gerestaureerde oude houten veensluis, als toegang voor de turfschepen die vroeger vanuit de Lende de veenpolder binnenvoeren.